Het Breda van d’Ancona

Door breukie • Datum: 15 november 2008 • Bron: BN/De Stem

Amsterdamser kun je het niet krijgen, daar waar Hedy d’Ancona woont. Pal aan de Amstel, Magere Brug pal voor het huis en een paarsharige moeder die lachend voorbij sjeest met kind in bakfiets.

Negen jaar geleden ging Hedy d'Ancona met pensioen. Sindsdien zit ze in allerlei besturen. 'Ik wil dat, waar ik oprecht in geloof, faciliteren.' Kunst valt daaronder. In vele vormen. Voor de makers ervan zegt ze een grenzeloze bewondering te hebben. 'Kunst is de geest van de samenleving.' Foto Thom van Amsterdam.

Negen jaar geleden ging Hedy d'Ancona met pensioen. Sindsdien zit ze in allerlei besturen. 'Ik wil dat, waar ik oprecht in geloof, faciliteren.' Kunst valt daaronder. In vele vormen. Voor de makers ervan zegt ze een grenzeloze bewondering te hebben. 'Kunst is de geest van de samenleving.' Foto Thom van Amsterdam.

Zelfs op een grijze maandag is het uitzicht een lijst waard. Hedy d’Ancona beseft maar al te goed hoe bevoorrecht ze is. “Ik woon hier nu 33 jaar en ben er nog steeds niet aan gewend.” Zoals ze haar groene ogen laat glijden over het water, haar Eames-stoel een kwartslag gedraaid naar de straat, zo had Vermeer haar kunnen schilderen als hij drie eeuwen later had geleefd. Groene ogen, roze lippen, kastanjebruin haar en daaronder een cognac-kleurig jasje met kaarsrechte zwarte pantalon, maatje 36. Sinds 1 oktober 71 jaar – je geeft het haar in de verste verte niet.

Om haar heen héél veel boeken op stapels, in kasten en héél veel kunst aan de wanden. Onuitsprekelijke bewondering heeft Hedy voor kunstenaars. Niet voor alle, trouwens. “Zo’n Damien Hirst, met zijn diamanten schedel, daar kan ik niks mee. Dat gaat alleen over de vermarkting van kunst, niet over kunst zelf. Het is een hype van voorbijgaande aard, hoop ik.”

Het is de onvoorwaardelijke passie, de onophoudelijke drang om te scheppen, waar de voormalige minister van cultuur een niet aflatende bewondering voor koestert. “Maar die bewondering heb ik even goed voor choreografen als Hans van Manen en Krisztina de Châtel, voor musici, voor toneelregisseurs als Liesbeth Coltoff.”

Eén naam komt vaak terug: Aat Veldhoen. Niet toevallig, want hij is de laatste twaalf jaar haar man. Ze latten, zij fietst vaak op en neer. Ze werken nog steeds hard, allebei. Hij als beeldend kunstenaar, zij als voorzitter van merendeels culturele besturen. “Als ik ’s avonds bij hem kom, kan hij altijd laten zien wat hij die dag heeft gemaakt. En ik? Ik heb drie vergaderingen voorgezeten, dat is niet echt spannend. Wat moet ik daarover zeggen?”

Negen jaar geleden ging d’Ancona officieel met pensioen. Na een lange en interessante carrière die begon bij de VARA en eindigde in het Europees Parlement, hield ze het betaalde werk voor gezien. De tijd die vrijkwam werd meteen opgeslokt door onbezoldigde zittingen in allerlei besturen, ongeveer vijftien in totaal. ” Schrijf ze maar niet allemaal op”, zegt d’Ancona, “dat staat zo ‘kijk die tante nog eens belangrijk zijn’.”

Waarom ze dit doet en bijvoorbeeld niet oppasoma speelt voor haar drie kleinkinderen? “Ik doe het om datgene waarin ik oprecht geloof, te faciliteren. Als ik iets leuk vind, als ik ergens enthousiast over ben, wil ik het helpen groeien. Ik doe het ook omdat ik er ervaring mee heb. Ten derde doe ik het omdat ik er persoonlijk van leer.”

Met name haar rol als facilitator ligt haar. “Kunst is de geest van de samenleving. Je kunt je niet voorstellen dat er geen kunst is. Kunst is onmisbaar. Dat gevoel moet je willen overbrengen, want het komt niet vanzelf. Kunst staat wel op de politieke agenda, maar nooit als iets vanzelfsprekends, nooit als prioriteit. Het heeft een duwtje nodig. En laten we eerlijk zijn, ik heb ingangen en weet waar de loketten zich bevinden. Van sommige ministers heb ik 06-nummers. Niet dat dan altijd gebeurt wat ik vraag, maar het kán helpen. ” Inderdaad, zoals al eerder in een andere krant stond: Hedy kent iedereen en iedereen kent Hedy.

Het kan niet anders of ook het Graphic Design Museum De Beyerd spint garen bij het feit dat d’Ancona eerder dit jaar voorzitter is geworden van de raad van toezicht. Dit orgaan ziet toe op de financiële huishouding en op de visie, het beleid van het museum. Hoezeer ze ook het belang van grafische vormgeving erkent, er persoonlijk ‘iets’ mee heeft en de komst van het museum toejuicht, zo vanzelfsprekend was het niet om de functie te aanvaarden. “Ik zat niet om werk verlegen, integendeel. Pas toen ik het Filmfestival van Vlissingen had afgestoten, kwam er ruimte.”

Sindsdien heeft ze Breda wat beter leren kennen, zegt ze. “Als minister ben ik wel eens in de Beyerd geweest als er een belangrijke tentoonstelling was; dat was het zo’n beetje. Ik heb er nu ook een paar keer gegeten, en ik moet eerlijk zeggen dat me dat beter bevalt dan in Amsterdam. Het is er toch bourgondischer.”

De Baroniestad is een goede plek is voor een museum voor grafische vormgeving; in drie opzichten zelfs beter dan Amsterdam, meent d’Ancona.

” Amsterdam hééft al zoveel. Die stad zit niet verlegen om musea. En soms zijn er drie festivals tegelijk. Breda is kleiner, compacter. Als daar een festival plaats vindt, zoals het Fotofestival vorige maand, dan mérk je dat ook als je door de stad loopt. Bovendien is Breda een meer Europese stad dan Amsterdam, omdat het tegen de grens aan ligt. Ten derde, als het gaat om aanverwante disciplines, past het mooi in het rijtje van Tilburg met zijn Textielmuseum, Den Bosch met zijn Europees Keramisch Werk Centrum en Eindhoven met zijn Design Academy en Designhuis.”

Over de opzet van het museum is ze zeer te spreken. “Er ligt een zware nadruk op de educatieve taak van het museum. Het wemelt er vaak van de kinderen. Ik ben er zomaar eens binnen geweest en toen was er een verjaardagsfeestje. Geweldig toch, dat dat kan? Vormgeving spreekt kinderen en jongeren spontaan aan; ze hebben iets met iconen, met merken.”

Met gemopper van sommige Bredase burgers, als zou het museum je reinste geldverspilling zijn, kan ze weinig. “Het is gebouwd van gemeenschapsgeld, dat klopt. Maar mijn geld hoeft ook niet naar defensie. Misschien is het wel beter om het nu naar Congo te sturen, wie zal het zeggen? Gelukkig hoef ik die afwegingen niet te maken.” Dat het museum de stad op een gegeven moment nog wel eens geld zou kunnen opleveren omdat het toeristen trekt, dat interesseert haar niet eens zozeer. “Het gaat in eerste instantie toch om de intrinsieke waarde. En die is er. Grafische vormgeving is enorm belangrijk – neem alleen zoiets als bewegwijzering, of affiches, postzegels, ons vroegere geld en de enorme verbreding van het veld door internet en games.”

Dat het Graphic Design Museum sinds de opening op 11 juni al op enige status kan bogen, heeft de grote belangstelling voor de vacature van directeur bewezen, beweert d’Ancona die deel uitmaakte van de selectiecommissie. ” Er waren veel kandidaten, en zéér goed gekwalificeerde.” Vorige week werd bekend dat Mieke Gerritzen, nu nog hoofd van de sectie Graphic Design van het Amsterdamse Sandberg instituut, per 1 januari Peter Rijntjes opvolgt. “Zeker weten doe je het nooit”, begint d’Ancona voorzichtig, “maar ik heb heel veel vertrouwen in haar. Ze past naadloos in het profiel. Bovendien is het een vrouw waar de energie van afspat.”

Een vrouw, is dat meteen niet mooi meegenomen? Het ligt erg voor de hand om deze vraag te stelllen aan d’Ancona als een van de oprichters van het feministische maandblad Opzij en van wijlen de feministische actiegroep Man-Vrouw-Maatschappij. Ze glimlacht. “Bij nader inzien is het niet gek dat het een vrouw is geworden, want je zoekt toch een schaap met vijf poten. Van vrouwen is bekend dat ze veel tegelijk kunnen doen. En hoewel het geen issue is geweest tijdens de selectie – in de advertentie stond niet zoiets als ‘bij gelijke geschiktheid’ enzovoort, die tijd hebben we gehad – vind ik het toch heel belangrijk. Natuurlijk, er is de afgelopen jaren veel bereikt. De rechterlijke macht bijvoorbeeld telt nu meer vrouwen dan mannen, dat is een enorme vooruitgang. Maar vooral in sectoren als het bedrijfsleven, de banken, zijn nog steeds alleen maar mannen aan de top.”

Zelf heeft d’Ancona nooit part-time gewerkt, ook niet toen haar kinderen Hadassah en Hajo nog klein waren. ” Maar dat waren de jaren zeventig, dat was een andere tijd”, licht ze toe. ,,Het werktempo lag toen echt lager. Bovendien had ik het gemakkelijk, met mijn salaris. Dat gaf mij de mogelijkheid om een meisje in huis te nemen; er waren toen geen crèches.”

Toch houdt de kwestie haar bezig. Terwijl ze weer over het water kijkt, waar een boot net haar huis passeert, krijgen haar gedachten vorm. “Vrouwen zeggen tegengehouden te worden omdat er te weinig opvang zou zijn. Dat is een Pavlov-reactie. Er is wél genoeg opvang. Maar het is nu eenmaal zo dat naarmate je hoger in de top zit, je baan meer tijd in beslag neemt. Dan is er wel eens een spoedvergadering in het weekend of ’s avonds. Ik vind: als je het werkelijk wilt, dan moet je dat een beetje op de koop toe nemen.”

De oplossing voor het probleem van de mannelijke top ziet d’Ancona in de maatschappelijke acceptatie van een deeltijdbaan voor een aantal jaren – de jaren waarin de opvoeding van kinderen aan de orde is.

Hedy werkt nog steeds fulltime, al zegt ze erbij dat het er sinds haar pensioen wel comfortabeler op is geworden. ,,Ik hoef haast niet meer te reizen; vergaderingen hou ik bij voorkeur bij mij in huis. En ik kan veel meer mijn eigen tijd indelen. Ik werk bijvoorbeeld graag ’s avonds. Vroeg opstaan, daar heb ik altijd een grote hekel aan gehad.”

Geen haar op haar drukke hoofd dat denkt aan minderen of stoppen. “De energie”, verklaart ze glimlachend, “de nieuwsgierigheid, daar gaat het om. Zolang ik die heb, ga ik door. Pas als je niet meer nieuwsgierig bent, ben je oud. Ik ben nog heel nieuwsgierig.”

Bron: BN/De Stem Feeds – Cultuur
Artikel: Het Breda van d’Ancona

Reageer